Menu

Over grenzen

Over grenzen

DoorWendy van Schaik Datum14 juni 2019 0 reacties

universe.jpg

‘Mag ik hier?’ En hierzo? En aan deze kant dan?’ Mijn zoon struint met zijn dieren door de tuin. De tuin is zijn oerwoud. Er zijn delen in het oerwoud waar zijn dieren niet mogen komen. Ik hang de was op en hij is zijn grenzen aan het verkennen.

‘Ja, aan deze kant wel, maar aan die kant niet,’ zeg ik, terwijl ik naar het stukje tuin wijs waar we net de bloemenmix in de droge grond hebben gezaaid. We kunnen wel wat regen gebruiken. Met een allerliefste blik kijkt mijn vierjarige zoon mij aan: ‘En als ik dan een beetje mijn dieren hier neerzet?’

Ik hoor half wat hij zegt en mijn gedachten dwalen af. Hoe fijn zou het zijn als iemand wat aanwijzingen zou kunnen geven over waar ik wel en waar ik niet moet gaan. Dat als de grond droog is, of ophoudt vruchtbaar te zijn, het op het juiste moment regent en ik dan weet waar ik moet gaan. Dat God spreekt.

Ik mis die stem weleens. Mijn pad is soms een zooitje. Ik kan erg verlangen naar een wolk of een vuurkolom die voor mij uit gaat, zoals het volk Israël had. God wees het volk de weg door het mulle zand heen. Ze luisterden niet altijd en raakte meerdere malen van het padje, maar God was in hun midden. Hij liet zelfs de tabernakel bouwen om echt in hun midden te wonen. God die daar Zijn volk ontmoet.

Als ik verder kijk dan mijn eigen leven, mijn blik gericht de wereld in, dan zie ik veel mensen die met hun voeten op de droge, dorre grond staan. Mensen zoekend naar grenzen, naar aanwijzingen, mensen die het uitroepen: ‘Hoe moeten we verder leven?!’

Mensenkinderen die letterlijk grenzen over willen steken op plaatsen waar er grote mensen zijn die zeggen: ‘Nee niet hier, niet dit stukje. Hier wordt gezaaid.’ Maar dat wat de grond raakt is verre van wat we liefde noemen. Boze leuzen en hekken vol haat worden uit de grond gestampt. Moedeloosheid heerst in kampen waar genoeg tenten zijn, maar waar de tent van samenkomst, waar Vrede heerst, ontbreekt.

‘Storm!’ gilt mijn zoon, terwijl hij zijn dieren verzamelt en door de bloementuin stampt. De wolken boven mijn hoofd maken de blauwe lucht grauw. Koude druppels vallen op mijn huid. Goed voor de tuin, niet voor de was. ‘De weg naar binnen is wel duidelijk, God.’

‘Over grenzen heen,’ bid ik. ‘God, ga over grenzen heen, dwars door tuinen, over stalen hekken, muren en prikkeldraad. God, wees in ons. God, wees in hen, in hun midden. In de kille leegte, in harteloze harten. Verwarm in de koude nacht als vuurkolom de mensenharten. Wees overdag als wolk, als Beschermer, om de mensen heen, die U het hardste nodig hebben.’

Mijn blote voeten staan gegrond op de tegels. Ik heb niet eens door dat het harder is gaan regenen. ‘Mama, kom je binnen? Je wordt nat.’

Wendy van Schaik

Wendy heeft samen met haar man Harm vier kinderen. Ze is theatermaker, schrijft graag gedichten, geeft les en acteert.

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd